image11.jpg
Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen aan de Middenschool

Wat ouders met hun kandidaat-leerlingen ons zoal vriendelijk vragend voor de voeten werpen? Heel goeie vragen, zo vinden wij. Vandaar dat we de meest gestelde meteen een vaste plaats hebben gegeven op onze website. Misschien zitten ook jouw prangende vragen erbij?

- Mijn zoon/dochter is twaalf en weet nog niet echt wat hij of zij wil studeren. Is dat een probleem?

- Hoog? Laag? Sterk? Zwak? Wat is de beste keuze voor mijn kind?

- Er is zoveel te kiezen vandaag. Hoe kom je te weten wat je echt interesseert (en of je dat wel kunt)? 

- In de eerste graad krijgen leerlingen nog heel wat gemeenschappelijke basisvorming.
  Maar toch zijn leerlingen ook verschillend.  Hoe ga je daarmee om in de lessen?


- Is het waar dat alle leerlingen in de eerste graad ook technologische opvoeding in hun
  vakkenpakket krijgen?


- Mijn kind wordt aangeraden om in de B-klas te starten. Moet ik mij daarover zorgen maken?

- Mijn kind heeft een leerstoornis. Is dat een groot probleem? En zijn er ook wel eens andere problemen?

- Mijn zoon/dochter is twaalf en weet nog niet echt wat hij of zij wil studeren. Is dat een probleem?
Nee. Het is in de meeste gevallen zelfs de regel. Tenslotte is hij/zij nog maar twaalf. Bovendien heeft hij/zij geen enkele ervaring met het secundair onderwijs en valt er beslist nog heel wat te ontdekken en te ervaren. Natuurlijk is het wel aangewezen dat we, doorheen de kuren en charmes van de ontluikende puberteit van de prille middelbare scholier, proberen om geleidelijk een duidelijker zicht te krijgen op ieders interesses, kwaliteiten en beperkingen.

 

 - Hoog? Laag? Sterk? Zwak? Wat is de beste keuze voor mijn kind?
Is een goede verpleger belangrijker dan een goede dokter? Is een leraar meer waard dan een loodgieter? Hoe bijzonder is een vlotte verkoper en hoe onmisbaar een ingenieur of een psycholoog? Wat is hoog en wat is laag? Hoe sterk is de bejaardenhelper en hoe zwak de manager? Kortom: zijn niet alle m. of v. geweldig als ze deskundig zijn en hun studie of beroep graag en goed doen?
Dat is de filosofie die we hanteren wanneer we onze leerlingen (intens) begeleiden om studiekeuzes te maken. Waar ben jij sterk in? Wat kan je minder goed? Wat boeit je bijzonder? Wat kan je zoal kiezen? Dat gaan we na doorheen de vorming én ook in een niet gering aantal bijzondere lessen en infomomenten: projecten van studieloopbaanbegeleiding met een eigen cursus en met huiswerk ook voor ma en pa.
We hebben immers graag dat onze leerlingen, hun ouders en wij zelf samen bewust werk maken van de juiste keuze op het juiste moment. Dat gebeurt in elk geval bij de aanvang van de tweede graad. In tegenstelling tot wat je wel eens hoort, beginnen in het Vlaams secundair onderwijs immers pas dan échte studierichtingen met een duidelijk eigen en verschillend profiel en met de labels ‘aso’, ‘bso’, ‘tso’ en ‘kso’. Niet eerder. Natuurlijk is het zo dat hoe verder je dan in zo’n specifieke studierichting vordert, hoe moeilijker bijsturen zal worden. Wel kan je bij de overstap naar de derde graad je keuze nog  verder verfijnen, maar dan is die intussen opgeschoten scholier al behoorlijk op weg naar dat spannende moment waarop zij of hij de secundaire schoolpoort achter zich gaat dichttrekken en … opnieuw een keuze moet maken.

 

 - Er is zoveel te kiezen vandaag. Hoe kom je te weten wat je echt interesseert
(en of je dat wel kunt)? 
Belangstelling is, naast het eigen ‘kunnen’, een belangrijke drijfveer om verdere studiekeuzes te maken. Maar hoe kom je te weten of bepaalde keuzes je echt wel liggen? Door ze aan den lijve te ondervinden wellicht.
In het eerste en tweede jaar krijgen leerlingen daartoe de gelegenheid. Bovenop de algemene basisvorming van de A- of de B-stroom kunnen ze voor elk schooljaar ook een keuzevakkenpakketje kiezen. Afhankelijk van die keuze worden ze op die manier in de A-stroom van onze middenschool lerend en ontdekkend meegenomen in werelden als die van de zuivere en de praktisch toegepaste wetenschappen, de sociale sector en mensgerichte vorming, economie en handel, creatie en vormgeving of klassieke studiën en Latijn. In de B-stroom kiezen ze in het tweede jaar voor beroepenvelden als kantoor, verzorging, voeding of mode en interieur. De resultaten én ervaringen daarbij zullen op het einde van de middenschool mee de stap naar een meer gespecialiseerde studierichting in de tweede graad helpen bepalen.
Let wel: als men zinnens is wat met Latijn en klassieke studiën verder te doen, dan moet dat pakketje wél vanaf het eerste jaar gekozen worden.
Voor een verdere toelichting bij de accentsverschillen tussen de keuzes voor het eerste en tweede  jaar verwijzen we naar de rubriek
studieaanbod

- In de eerste graad krijgen leerlingen nog heel wat gemeenschappelijke basisvorming. Maar toch zijn leerlingen ook verschillend.  Hoe ga je daarmee om in de lessen?
De basisvorming streeft een aantal gemeenschappelijke doelen na die de leerlingen moeten bereiken vooraleer ze een meer gespecialiseerde vorming in de tweede graad kunnen aanvatten. Die doelen vind je in officiële leerplannen voor de eerste graad die overal in Vlaanderen gebruikt worden. Samengevat zou je ze kunnen omschrijven als een geheel van basiskennis, -houdingen en -vaardigheden die iedereen, wat hij of zij ook zal worden, best beheerst om te kunnen functioneren in onze samenleving.
Het is daarbij echter ook belangrijk dat we goed nagaan in welke mate elke leerling die inzichten en vaardigheden kan en zal verwerven. Ieder heeft immers sterke en minder sterke punten, eigen talenten en beperkingen. Bij een verdere keuze naar een studierichting van de tweede graad is het noodzakelijk dat daarmee rekening kan gehouden worden.
Daarom zie je in onze middenschool dat de klassen 1A en 2A voor vakken van de basisvorming als wiskunde, Nederlands en Frans regelmatig gesplitst worden of dat plots een leerkrachtenduo in de klas komt en dat de leerlingen in groepjes of apart aan het werk gaan en begeleid worden. Op die manier worden voor elke leerling zoveel mogelijk leerkansen geschapen. De ene is immers een wiskundige bolleboos en mag best wat steviger oefeningen onder de kiezen krijgen, de ander heeft wel een goed inzicht in taal maar moet dan weer wat meer en beter leren spreken, nog een ander moet wat meer herhalen terwijl zijn of haar buur dan weer een nieuwe of moeilijker uitdaging kan aangaan.
Voortdurend gaan we na welk beheersingsniveau voor welk onderdeel van de vorming de leerling kan bereiken. Voor wiskunde, Frans en Nederlands bvb. zal je op onze rapporten dan ook een cijfer vinden voor Leerveld 1 (voor iedereen noodzakelijk beheersingsniveau) en voor Leerveld 2 (moeilijker beheersingsniveau). Niet van elke leerling kan dat tweede niveau altijd verwacht worden. Het is echter wel zo dat we uit iedere dappere scholier zoveel mogelijk willen halen wat eruit te halen valt.
Variatie in vakken, in opdrachten en oefeningen is dus de boodschap. Verschillende manieren van leren en werken eveneens. Denk- en doe-opdrachten, klassikaal geleide lessen en vormen van begeleid zelfstandig werk, inhaallessen en lessen ‘leren leren’. Ze zijn alle gericht op de leerdoelen van de eerste graad, maar houden wel degelijk rekening met de verschillen tussen de leerlingen.

- Is het waar dat alle leerlingen in de eerste graad ook technologische opvoeding in hun vakkenpakket krijgen?
Een tegenvraag: is handigheid en technisch inzicht alleen voor wie elektricien of loodgieter of lasser wordt? Vaklui zijn weliswaar vaklui, dat zeker en vast, maar elke fatsoenlijke 21e-eeuwer zou toch op zijn minst ook enig inzicht en enige vaardigheid moeten verwerven in technische ‘toestanden’. Of dacht je dat een gsm, het plan van je woning, de zekeringenkast thuis of de kerncentrale in de achtertuin van onze gemeente niets met technologie te maken hebben?
Daarom is het nodig dat alle leerlingen in de eerste graad technologische opvoeding in hun lessenpakket vinden. Wij vinden het zelfs belangrijk dat ze ook hun technische handigheid op de proef kunnen stellen. Misschien zeggen ze dan wel ‘aha, zit dat zo’ en worden ze thuis de ‘techneut van dienst’. Of misschien ontdekken sommigen zelfs wel dat ze in de tweede graad ook nog verdere studies in die richting kunnen aanvatten en dus toch elektricien of loodgieter of lasser of … worden.

- Mijn kind wordt aangeraden om in de B-klas te starten. Moet ik mij daarover zorgen maken?
Leerlingen die het in de lagere school echt wel moeilijk hadden en/of (té) veel rode cijfertjes op hun rapport vinden, hebben nood aan een andere manier van leren. In kleine groepjes. Even behoorlijk herhalen wat ze in de lagere school gemist hebben. Op zoek gaan naar hun vaak erg praktische talenten en ontdekken dat ze wel degelijk kwaliteiten hebben.

Soms begint een leerling na een jaar 1B aan 1A. De meeste van de leerlingen die hun secundair onderwijs in 1B beginnen, zetten echter hun weg verder in het beroepsvoorbereidend leerjaar. Die eerste twee jaren noemen we de jaren van de B-stroom. Van daaruit maken deze leerlingen een keuze voor een afgelijnde studierichting van het beroepsonderwijs in de tweede graad. Beetje bij beetje groeien ze naar een eigen beroep op hun achttiende of negentiende jaar. Jonge mannen en vrouwen die we na hun campusjaren als verkopers, bedienden, kinderverzorgers, bejaardenhelpers of creatieve uitvoerders van modemakers kunnen ontmoeten. Geef toe, wie zo’n beroep goed uitoefent, heeft best wel wat kwaliteiten in huis.

- Mijn kind heeft een leerstoornis. Is dat een groot probleem? En zijn er ook wel eens andere problemen?
Elke zorg moet op zich bekeken worden. Bij een leerstoornis als dyslexie of dyscalculie gebeurt dat op basis van een attest dat het probleem omschrijft en in overleg met een zorgcoördinator. De school gaat na wat ze wel én wat ze niet kan doen. Uit het gesprek met ouders, leerling en zorgcoördinator groeit dan een begeleidingsplan waarin ieders rol wordt afgesproken. Mag de leerling bij een dictee of andere toets een spellingskaartje gebruiken? Krijgt hij/zij meer tijd om toetsen op te lossen? Zullen ouders mee de verbeteringen van taken nakijken? Zullen leerkrachten hem/haar op bepaalde onderdelen bijzonder opvolgen? Het gaat om maatwerk binnen de mogelijkheden maar ook de grenzen van de school en daar kom je dus best even uitvoerig over praten.
Overigens: elke leerling kan ook wel eens met andere zorgen te maken krijgen die het leren doorkruisen. Verdriet, faalangst, pesterijen, ziekte … Alhoewel kommer en kwel zeker niet de regel zijn, zal de school op dat moment ook zien wat ze kan doen. De draaischijf (cel) ‘bijzondere leerlingenbegeleiding’ kan zeker niet alles oplossen, maar adviseert en ondersteunt in dat geval alle betrokkenen: leraars, ouders en leerling.